Wijn


Daar is geen beter medicijn
Dan druivenbloed en gerstewijn

Een les die ons de Zondvloed biedt:
De waterdrinkers deugen niet.

Een lege kop, een vat niet vol,
Een ledig hart - wat klinkt dat hol!

Daar 's niets zo overtuigend, baasje,
Als 't vierde, vijfde en zesde glaasje.

Die vreugde zocht in 't druivensop
Heeft steeds een luchtig mutsjen op.

Die zingt en drinkt en toosten slaat
Spreekt van zijn naaste buur geen kwaad.

't Is menslijk de honger te stillen met broden;
Te drinken, dat kwam van de goden.

Wat is de wijnstok niet bekend
In 't oude en nieuwe Testament!

Eet, drink, wees vrolijk, vijftig jaar
Doet gij 't nog maar.

Reeds de oudheid heeft ons onderricht,
Dat in de wijn de waarheid ligt.

Van de ijdelheden is, ten leste,
Nog spijs en drank 't soliedste en beste.

Toen 't water wegweek't' allen kanten,
Ging Noach d'eedle wijnstok planten.


J.A. Alberdingk Thijm  1820 – 1889

 

Bacchus3